Net als oma

Vroeger, toen ik kind was, gebeurde het af en toe dat mijn oma zomaar op een doordeweekse avond kwam. Dat was bijzonder. Niet om mijn oma te zien, want die zag ik wekelijks, op zondagmiddag. Dan kregen we limonade uit mooie kleine glaasjes met fruit erop afgebeeld. Dan speelden we mens-erger-je-niet, ganzenbord, of een potje dammen. We mochten toen mijn grootouders slechter ter been werden, zelf de spelletjesdozen pakken uit de slaapkamer. Je kwam in die schemerige kamer door een mooie grote glas-in-lood deur, die wat scherp, iel, hoog kraakte. Eigenlijk bibberde de deur een beetje, want het was veel glas in maar weinig hout en zo’n deur kan dan wat wiebelen. Achter het glas in lood was een licht gordijntje, zodat je niet zomaar die kamer in kon kijken. Koud was het in die ietwat geheimzinnige kamer, want daar was de gaskachel niet aan.
Op die middagen speelde ik met neefjes en nichtjes. Mijn grootouders schemerden graag. Dan werd het langzaam donker. Ieder zat aan weerszijden van het raam in een grote eiken leunstoel. Want er was geen bank. Midden in de kamer stond een tafel met stoelen, daar zaten wij aan. En dan had je nog de zeer onberekenbare rookstoel. Want die kon achterover schuiven, zodat je kwam te liggen. Maar dat gebeurde schokkend en soms ook onverwachts, terwijl je het niet wilde. Ik was dan bang dat ik er tussen zou verdwijnen.
Als we naar huis gingen, kregen we een pakje Sportlife kauwgom mee, om thuis aan de broers en zussen uit te delen. Dat pakje Sportlife vond ik eigenlijk te hip voor mijn oma. Jarenlang was het het groene pakje, maar toen kwamen er meerdere smaken en kregen we ook de blauwe en lichtblauwe. Dat hoorde zo, zondagmiddag, vlak voor het avondeten kregen we allemaal een kauwgompje.
Mijn oma zag ik ook regelmatig op verjaardagen, want ze had bijna veertig kleinkinderen. Als je jarig was, kreeg je een groen briefje van vijf gulden, later werd dat een mooie gouden 5 gulden munt. Ik vroeg mij wel eens af of ze ergens een pot met vijfjes had, voor ál die kinderen. Want met nieuwjaar had ze ook een pot, dan gevuld met guldens. Alle kleinkinderen kregen dan een gulden. En een ernstig woord van opa, wat ik niet kon begrijpen en waarvan ik hoopte dat hij me maar over zou slaan.

En af en toe kwam mijn oma ineens doordeweeks op een avond. Ze kwam dan ‘verstelwerk’ doen. Mijn moeder met haar vele ‘keijer’ (kinderen), had altijd wel verstelwerk. Gaten in sokken of scheuren in kleren. Mijn oma had zo’n mooie houten knots, daar kon ze prachtig de sokken mee stoppen. Over het gat weefde ze dan met stopwol een mooi recht stukje. Met bewondering heb ik naar haar vaardige handen gekeken. (Kijk hier hoe iemand beschrijft hoe sokken stoppen gaat.)

Hier moest ik aan denken toen ik vanavond bezig was. Een mooi jurkje van mij heeft een gehaakt bovenlijfje, maar er waren gaten in gekomen. Al meer dan een jaar ligt het op zolder te wachten tot ik de moed heb om uit te pluizen hoe het gehaakt is en het weer te verstellen. Dus heb ik het nu maar eens erbij gepakt. En het viel eigenlijk erg mee. Het is weer mooi hersteld. Zo ben ik dan bezig op een avond en denk terug aan mijn oma. Het naaien en handwerken heb ik in mijn genen mee gekregen. Mijn oma van moeders kant handwerkte letterlijk tot ze niet meer kon. En in mijn vaders familie zijn er kleermakers geweest.