Psalm 7 | een klaaglied
David is vaak achtervolgd geweest door koning Saul, het is waarschijnlijk dat David hierover spreekt in deze psalm. David doet zijn beklag bij de Heer en vraagt Hem om hulp. Wat mij treft in deze psalm is dat David vraagt om gerechtigheid vanwege zijn vervolgers, maar tegelijk ook om gerechtigheid vraagt over zijn eigen mogelijke misdaden. Ik las een Joodse uitleg waarin dit ook benadrukt wordt. Dat de menselijke geest zulke diepe gronden kan hebben, dat we onszelf niet goed doorgronden. Dat er mogelijk toch een eigenbelang is geweest in het tonen van genade aan de ander. David bezingt de rechtvaardigheid van God. Hij geeft zich aan Hem over, schuilt bij Hem, hij weet dat Hij de enige is die onze harten en nieren kan doorgronden. En dat maakt dat hij totaal veilig bij Hem is.
Het Hebreeuwse woord voor nieren betekent ook: zetel van emotie en aanhankelijkheid.
Opnieuw vind ik het niet eenvoudig om een beeld te maken bij de psalm. Er zitten zóveel facetten aan.

1 Een klaaglied van David, dat hij voor de HEER gezongen heeft over de Benjaminiet Kus.
2 HEER, mijn God, bij u schuil ik,
bevrijd mij van mijn vervolgers, red mij,
3 ze zullen mij nog verscheuren als leeuwen,
mij meesleuren zonder dat iemand mij redt.
4 HEER, mijn God, als ik iets heb misdaan,
als er onrecht kleeft aan mijn handen,
5 als ik goed met kwaad heb vergolden,
of mijn belager zonder reden heb beroofd –
6 laat dan de vijand mij achtervolgen, mij inhalen,
vertreden en vertrappen in het stof,
mij beroven van mijn eer en mijn leven. sela
7 Sta op, HEER, laat uw toorn ontbranden,
keer u tegen de razernij van mijn belagers,
kom mij te hulp, gebieder van het recht.
8 Laat u omringen door de raad van de volken
en bestijg hoog boven hen uw troon,
9 HEER, rechter van de wereld.
Doe mij recht, HEER, ik ben onschuldig,
mij treft geen blaam.
10 Roep de goddelozen een halt toe
en wees de rechtvaardige tot steun.
U die hart en nieren doorgrondt
bent een rechtvaardige God.
11 God is het schild dat mij beschermt,
hij bevrijdt de oprechten van hart.
12 God is een rechtvaardige rechter,
hij bestraft het kwaad, elke dag.
13 Maar de vijand scherpt opnieuw zijn zwaard,

hij spant zijn boog en legt aan,
14 hij richt zijn wapens om te doden,
zijn pijlen zijn schichten van vuur.
15 Hij draagt verderf onder het hart,
zwanger van onheil baart hij bedrog.
16 Hij delft een put en diept hem uit,
maar valt in de kuil die hij zelf heeft gegraven.
17 Het onheil keert zich tegen hem,
het geweld komt neer op zijn eigen hoofd.
18 Ik zal de HEER om zijn rechtvaardigheid loven,
de naam van de HEER, de Allerhoogste, bezingen.
Leave a Comment
You must be logged in to post a comment.